Dé marktplaats voor de bouw. Gratis rubriek voor de aan- en verkoop van gebruikte gereedschappen of materialen.
..
Niet lang geleden sprak ik na een lezing een directeur-aandeelhouder van een bouwbedrijf. Hij had mij horen spreken over enkele actuele pensioenvraagstukken en meende daarom zijn ‘ervaring’ aan mij te kunnen voorleggen. De man bleek smakelijk en bijzonder gedetailleerd te kunnen vertellen over zijn trieste lot. In het kader van deze column moet ik mij helaas beperken tot een beknopte samenvatting.
Nog steeds gaan veel BV’s binnen familieverband van de ene generatie over naar de andere. Ook bij ‘Bouw BV’s‘ is de zoon (zeker in de ogen van vader) vaak de ideale bedrijfsopvolger. Hij is met het bedrijf opgegroeid, werkt al jaren mee en is voorbereid op zijn toekomstige rol als boegbeeld van het bouwbedrijf. Binnen de familie is de kans op ‘onzakelijk handelen’ wel nadrukkelijk aanwezig. Fiscaal kan dit zeer vervelende gevolgen hebben.
De directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV is een vreemde eend in de bijt. Aan de ene kant is hij ‘eigen baas’ en ondernemer. Aan de andere kant is hij in dienstbetrekking bij zijn BV en dus werknemer. Deze januskop van de DGA is voor de wetgever een telkens terugkerend probleem.